inleiding

rail.life > inleiding

Als men de treinen in België op het eerste zicht bekijkt, kan men meteen een onderscheid maken: personenvervoer en goederenvervoer. Het personenvervoer is vele malen intenser dan het goederenvervoer, en het is ook veel bekender.
Verder is er nog een heel belangrijke verdeling: De manier waarop het krachtvoertuig van energie wordt voorzien. Vroeger was dit stoom, maar nu is dat diesel en elektrisch. De meeste lijnen in België zijn voorzien van (meestal 3000 volt gelijkstroom) onder spanning staande bovenleiding die de krachtvoertuigen voorziet van elektrische stroom. De trein neemt dit af van de bovenleiding door middel van zogenaamde 'pantografen'.
De manier waarop de trein zich voortbeweegt zullen we ook even bestuderen.
In België heb je twee soorten reizigerstreinen.

Gesleepte treinen waarbij een krachtige locomotief een aantal rijtuigen sleept, zie afbeelding hiernaast.
De stuurcabines zijn aangegeven in het rood.
De pijl geeft de rijrichting aan.

In België is het maximum aantal rijtuigen bij een personentrein 12 rijtuigen (de lengte van de meeste perrons laat niet langer toe).

Sommige rijtuigen hebben een cabine, wat maakt dat de locomotief kan bediend worden vanuit dat rijtuig (= stuurstandrijtuig). De locomotief kan zich dan ook achteraan de trein bevinden. Dit zijn zogenaamde trek/duw-treinen of -stammen.

De andere soort zijn de zogenaamde motorwagens of -stellen, meestal gewone toegankelijke wagens die zichzelf kunnen voortbewegen, dwz de motoren van de trein bevinden zich niet in een afzonderlijke locomotief, maar veelal onder de reizigerscompartimenten.

'Motorstel' is de benaming voor elektrisch aangedreven motorwagens. Ze bestaan uit 2, 3 of 4 (in sommige landen zelfs 5, 6 of 7) rijtuigen die permanent aan elkaar zijn gekoppeld. Men spreekt bijvoorbeeld van een drieledig motorstel.
'Motorwagen' is de benaming voor met diesel aangedreven motorwagens.
De meeste motorwagens die gereden hebben in de 20ste eeuw bestonden maar uit 1 rijtuig. Toch hebben ook motorwagens die uit meerdere rijtuigen bestaan,
zoals het huidige dieselmaterieel AR 41 ook de benaming motorwagen, men spreekt dan over een tweeledige motorwagen.
Zowel motorstellen als motorwagens kunnen rijden zonder locomotief, omdat ze zelf over motoren beschikken voor aandrijving. Ze zijn relatief goedkoper en zuiniger dan een gesleepte trein, en hebben het voordeel dat er altijd aan de 2 uiteinden zich een cabine bevindt, wat lastige rangeringen (en dus ook de noodzakelijke wissels) overbodig maakt. De motorstellen/motorwagens kunnen aanelkaar gekoppeld worden, zodat een langere trein ontstaat (zie voorbeeld hieronder). In principe kan de trein zo lang als noodzakelijk worden, op voorwaarde dat de maximale lengte van 12 rijtuigen niet overschreden wordt.



België kent voor het reizigersvervoer vooralsnog maar één enkele operator, de NMBS. Het goederenverkeer is daarentegen divers geëxploiteerd door oa ook de NMBS, maar ook tal van privé-operatoren.

Voor 1971 was het gehele krachtvoertuigenpark (= tractiematerieel) van de NMBS onder verdeeld in types. Elke locomotief had een typenummer van twee (stoom) of drie (diesel en ) cijfer. Het tweede deel van een locomotiefnummer was het volgnummer van de desbetreffende loc in de serie. Zo was er bijvoorbeeld loc 126.022, dit was de 22ste locomotief van het type 126. Het typenummer was willekeurig gekozen. Alle elektrische motorstellen hadden het typenummer 228. Zo was er bijvoorbeeld een motorstel met nummer 228.044 .


In 1971 is het gehele tractiematerieelpark van de NMBS hernummerd in verschillende klassen, van klasse 0 tot klasse 9. Klasse 3 is echter onbenut gebleven. Waarvoor deze klasse staat en waarom deze klasse is overgeslagen is niet bekend.
Aangezien er in 1971 geen stoomlocomotieven (HLV) meer in bedrijf waren, is deze tractievorm niet opgenomen in de nummering.

Elk tractievoertuig heeft een viercijferig nummer, waarvan het eerste nummer altijd de klasse aanduidt, de eerste twee cijfers de reeks aanduiden (in de huidige nummering spreekt men van een 'reeks', niet meer van een 'type', zoals voor 1971), een de laatste twee het volgnummer in de aanduiden. Bijvoorbeeld locomotief 2735 is de 35ste locomotief van de reeks HLE 27. De 4107 is de 7e dieselmotorwagen uit de reeks AR 41.
Het hernummeren van het materieel ouder dan 1971 gebeurde meestal als volgt:
Locomotief 126.022 werd 2622. Bij de motorstellen werd eenvoudigweg het typenummer weggelaten en het volgnummer behield men. Zo werd motorstel 228.044 in de nieuwe nummering stel 044 .

AM HLE AR HLD HLR
elektrische
motorstellen
elektrische
meerspannings-
locomotieven
elektrische
enkelspannings-
locomotieven
onbenut diesel-
motorwagens
zware
dieselloc's
lichte
dieselloc's
zware
rangeer-
dieselloc's
lichte
rangeer-
dieselloc's
locotractoren
klasse 0 klasse 1 klasse 2 klasse 3 klasse 4 klasse 5 klasse 6 klasse 7 klasse 8 klasse 9
AM 03 HLE 13 HLE 21 AR 41 HLD 55 HLD 62 HLR 77
AM 04 HLE 18 HLE 27 HLD 57
AM 05 HLE 19 HLE 28
AM 06 HLE 29
AM 08
AM 09
AM CR

(Bovenstaande tabel geeft enkel het tractiemmaterieel IN DIENST weer.
Een volledig overzicht per klasse is aanwezig op desbetreffende pagina.)

De elektrisch aangedreven motorstellen zijn de klasse 0, en heben de afkorting MS (Motorstel) of AM (Automotrice), hoewel de afkorting AM couranter gebruikt wordt. Door de elektrische motorstellen wordt het merendeel van de passagiersdiensten gereden. Omdat bij alle AM's het nummer begint met 0, is die weggelaten. Bij de AM's is het nummer dus 3-delig, bijvoorbeeld nummer 347, maar dit stel behoort tot de reeks AM 03, en niet tot de AM 3!

Bij de Desiro-motorstellen uit 2008 is de NMBS voor het eerst afgestapt van de viercijferige nummering. Dit eenvoudigweg omdat er geen 300 opeenvolgende nummers meer beschikbaar zijn bij klasse 0. Daarom heeft de NMBS bij deze reeks motorstellen geopteerd voor een nieuwe nummering, bestaande uit vijf cijfers. De eerste twee cijfers zijn het orderjaar, (20)08, wat eveneens het reeksnummer is: AM 08. De drie laatste cijfers vormen het volgnummer. De enkelspannige stellen is men beginnen nummeren vanaf 08001, de meerspannige vanaf 08501. Op die manier is er qua nummering geen verwarring mogelijk met andere motorstellen. Echter, het reeksnummer AM 08 wordt tezelfdertijd gebruikt door de vierledige motorstellen.
Vandaar dat de nieuwe reeks AM 08 niet voorkomt in bovenstaande tabel.


De elektrische locomotieven (HLE) zijn opgedeeld in klasse 1 en 2, afhankelijk van het feit of ze alleen onder 3000 Volt = kunnen rijden (klasse 2) of dat ze ook onder andere spanningen kunnen rijden, bijvoorbeeld 1500 Volt = (klasse 1).
De locomotieven worden gebruikt om rijtuigen of goederenwagons te slepen.

Vanaf klasse 4 beginnen de met diesel aangedreven krachtbronnen.
Klasse 4 zijn de dieselmotorwagens met de afkorting MW (motorwagen) of AR (autorail).
In België bestaan er maar handvol diesellijnen waar de spoorwegen personenvervoer uitbaten. Al deze lijnen worden uitgebaat met de AR 41.

Klasse 5 zijn de krachtigste lijndiesellocomotieven (HLD). Dat wil zeggen dat ze geschikt zijn om lange afstanden te rijden, met een zwaar beladen goederentrein.
Klasse 6 is hetzelfde als klasse 5 (ook HLD dus), maar ze zijn minder krachtig.

Klasse 7 zijn de sterkste rangeerlocomotieven (HLR). klasse 8 waren de lichtere rangeerlocomotieven, en klasse 9 waren minilocomotiefjes, voor kleine rangeringen in een station.

Hoewel de klassen 5 t.e.m. 9 vroeger erg veel reeksen bevatten, zijn deze vandaag de dag allemaal geschrapt, ten voordele van de eenvormige grote HLR 77. Hoewel deze reeks ondergebracht is bij de klasse sterke rangeerdieselloc's, kunnen deze ook in de lijndienst gebruikt worden. Aangezien het vermogen van deze loc's niet groot is, is het vaak mogelijk om een goederentrein getrokken door twee (of zelfs drie!) HLR 77's te treffen, terwijl het vroeger makkelijk met één HLD ging.


De niet aangedreven rijtuigen hebben een veel minder duidelijke nummering. Het nummer van het rijtuig zelf is veel langer en zal ik daarom hier niet beschrijven. Wel is elke soort rijtuig onderverdeeld, meestal een letter gevolg door een cijfer.
Vroeger waren er veel meer soorten rijtuigen dan nu, wat deels verklaart waarom veel letters nu niet meer gebruikt worden. Daarnaast nummert de NMBS de laatste jaren nieuwe rijtuigen steevast met letters I en M.

I K L M R P N
I6 M4
I10 M5
I11 M6

(Bovenstaande tabel geeft enkel de rijtuigtypes IN DIENST weer.)


Trams zijn qua indeling maar ook technisch min of meer gelijk aan motorstellen (zie hierboven). Net als motorstellen bestaan trams uit een of meerdere rijtuigen die zichzelf kunnen voortbewegen en stroom via een pantograaf uit de bovenleiding trekken, bij trams is dit 600 volt gelijkstroom.
In principe kunnen trams, net als motorstellen aan elkaar gekoppeld worden, echter, in praktijk zal men in normale dienst geen gekoppelde trams zien (op het tramnet van Antwerpen na, waar gekoppelde trams heel normaal zijn).
Het afgebeelde motorstel hierboven kan dus evengoed een tram voorstellen.

Aangezien de rijtuigen van een tram net als rijtuigen van een motorstel permanent aan elkaar gekoppeld zijn, zijn deze veelal voorzien van een brede doorloopmogelijkheid tussen de rijtuigen. Men spreekt dan van een geleding.
Daar waar ben bij motorstellen spreekt van tweeledige motorstellen zal men bij trams eerder de term 'gelede tram' gebruiken.

In tegenstelling tot het spoorverkeer, dat nationaal beheert wordt, is het streekvervoer regionaal opgesplitst. Het komt erop neer dat Vlaanderen, Wallonië en Brussel elk hun eigen maatschappij hebben, respectievelijk De Lijn, TEC en MIVB.
Tot 1991 was dit anders: voor het streekvervoer was er nog de nationaal beheerde 'buurtspoorwegen' (de NMVB, met zijn oranje voertuigen) en in de grote steden was er een MIV, net als in Brussel, zo was er bijvoorbeeld MIVA in Antwerpen en MIVG in Gent.

In België zijn er momenteel vijf afzonderlijke tramnetten, te weten in Antwerpen, Brussel, Charleroi, Gent en de kust. Deze vijf tramnetten functioneren volledig onafhankelijk van elkaar, en het is dus evident dat er aparte tabellen noodzakelijk zijn. Een materieeloverzicht is te vinden op de pagina van het tramet.
Uitzondering hierop zijn zogenaamde Hermelijn-trams uit Antwerpen en Gent, die af en toe, vooral in het toeristisch seizoen in de zomer tijdelijk aan de kust verblijven.


Metro's zijn in principe gelijk aan trams, en zijn dus ook motorstellen.
Wanneer is een tramnet dan een metronet?
Men spreekt van een metronet als een spoorbaan geheel in eigen baan en kruisingsvrij (geen overwegen, kruispunten en dergelijke) ligt.

België kent maar één metronet, en dat is in Brussel. Het eigenlijke metronet van Brussel kent vier lijnen, te weten lijnen 1, 2, 5 en 6. Alle andere lijnen behoren niet tot het metronet.
De term 'pre-metro' duikt her en der op in Antwerpen en Brussel, maar het gaat hier niet om metro, maar om gewone trams 'die in afwachting van echte metro' in metrotunnels rijden, maar nog steeds gedeelten boven de grond rijden.

In Charleroi spreekt men van "Métro leger du Charleroi' (MLC), ook deze term is incorrect.
Beter omschreven is dit het tramnet van Charleroi, gezien er vele kruisingen met overig verkeer zijn.

Toelichting bij de tabellen

Reeksen met een * zijn niet meer te zien in de reguliere dienst.
Het vermelde bouwjaar is steeds het eerste bouwjaar van de reeks. Meestal kan het enkele jaren duren eer de reeks volledig in dienst is, afhankelijk van het aantal voertuigen in de reeks.




terug    © ThomSten 2000 - 2017